Casestudie: Wat als je kat blaasstenen, hypercalcemie en een voedingsintolerantie heeft?
Geschreven door Hanne Callewaert– Gecertificeerd Canine & Feline Nutritionist en gediplomeerd Klinisch Dierengedragstherapeut.

Je bent de kattenbak aan het schoonmaken en plots zie je het liggen: kleine, harde korreltjes naast de bak. Paniek slaat toe. Heeft je kat pijn? Kan ze nog wel plassen? Voor Veerle, het toegewijde baasje van de oudere kat Minou, was dit het begin van een medische en emotionele rollercoaster.
In deze casestudie deel ik het verhaal van Minou. Ik laat zien hoe we met gerichte voedingsaanpassingen, aandacht voor de darmen en een kritische blik op medicatie de rust konden terugbrengen, altijd in overleg met de behandelend dierenarts.
(Let op: verander nooit zomaar het dieet of de medicatie van een ziek dier zonder overleg met je dierenarts. Deze casestudie is een illustratie en geen behandeladvies. Elke kat is anders.)
Het probleem: blaasstenen, een te hoog calcium en misselijkheid
Veerle nam contact met me op nadat ze de korreltjes naast de kattenbak had gevonden. Mijn eerste advies was: raap ze meteen op, bewaar ze in een propere pot en breng ze mee naar de dierenarts. Alleen een analyse in het labo toont welke soort steen het is. Zonder die informatie kies je in het donker, zowel bij de voeding als bij de behandeling.
Het labo bevestigde dat het om calciumoxalaatstenen ging. Dat is een belangrijk verschil met kristallen. Kristallen in urine zeggen weinig: ze kunnen ook ontstaan in een staal dat blijft staan of afkoelt. Een steenanalyse is het sluitende bewijs.
Wat het onderzoek liet zien
Omdat Minou voor de echo en bloedafname onder verdoving moest, hielden we rekening met haar gevoelige maag en eerdere periodes van slecht eten. Een narcose kan soms voor extra misselijkheid zorgen. Daarom adviseerde ik Veerle om proactief met de dierenarts te overleggen of Minou bij de ingreep preventief iets tegen de misselijkheid mocht krijgen. Het doel was om te voorkomen dat ze verder zou verzwakken of onnodig ongemak zou ervaren. Uiteraard is het altijd de dierenarts die inschat of zo'n medicatie op dat moment medisch verantwoord en veilig is.
Bloed:
Het calcium in het bloed was verhoogd (hypercalcemie). Het geïoniseerde calcium, de biologisch actieve fractie en de betrouwbaarste maat, was ook verhoogd. De hypercalcemie is dus echt en geen meetartefact.
Het parathormoon (PTH) lag binnen de normale waarden.
Ureum was licht verhoogd, terwijl de kreatinine en de ureum/creatinine-ratio normaal waren.
Beeldvorming: de echo gaf geen verklaring.
Urine (labo):
pH 5,5.
Geen leukocyten (witte bloedcellen).
In de urine werden bacteriën gevonden. Er werd een kweek opgezet en er werd getest welk antibioticum het best werkt (een antibiogram).
Wat betekent dat? Bij een te hoog calcium verwacht je dat het lichaam de productie van PTH afremt. Een PTH dat "normaal" is, kan dus toch ongepast zijn. Dat sluit een probleem met de bijschildklier niet uit. Bij katten is de meest voorkomende vorm van hypercalcemie "idiopathisch", wat betekent dat er geen oorzaak wordt gevonden. Er zijn ook andere oorzaken, zoals een bijschildklierprobleem of een tumor (Midkiff et al., 2000; Savary et al., 2000).
Welke extra testen zinvol zijn, beoordelen de dierenarts en de internist.
Het licht verhoogde ureum met een normaal creatinine kan passen bij een vochttekort. Dat wil niet zeggen dat de nieren in orde zijn. Dit volg je op samen met de urineconcentratie en eventuele extra nierwaarden.
De antibioticakuur
Omdat er bacteriën in de urine zaten, kreeg Minou een antibioticakuur. Dat gebeurde volgens het boekje: eerst een kweek, daarna een gevoeligheidstest, zodat het middel gekozen wordt waar de bacterie gevoelig voor is (Weese et al., 2019). Of een behandeling nodig is, hangt af van het geheel aan klachten en bevindingen. Die afweging maakt de dierenarts.
Toch baarde de kuur me zorgen. Meer dan een jaar eerder had Minou na een eerdere antibioticakuur een voedingsintolerantie voor kip ontwikkeld. Of de kuur en de intolerantie oorzakelijk met elkaar te maken hadden, is niet bewezen. Het is een hypothese. Een voedselreactie stel je vast met een eliminatiedieet (Verlinden et al., 2006). Na een eliminatiedieet van 3 maand bleek Minou effectief op kip te reageren na herintroductie. We wilden daarom voorzichtig zijn. We kozen tijdens de kuur voor hypoallergene brokjes, gecombineerd met een nieuw natvoer op basis van lam.
Toen Minou minder goed begon te eten en veel moest braken, gingen de alarmbellen sneller rinkelen. Ze had mogelijk een nieuwe intolerantie ontwikkeld voor het huidige natvoer.
Dertig uur niet geplast
Toen Veerle me vertelde dat Minou al ongeveer 30 uur niet had geplast, drong ik erop aan om meteen contact op te nemen met de dierenarts. Dat deed ze. Minou maakte geen aanstalten om te plassen: ze had het gewoonweg niet geprobeerd. Op basis daarvan beoordeelde de dierenarts het niet als spoedgeval, gezien ze de dag nadien toch op controle kwam.
Mijn boodschap voor jou als lezer blijft: Als je kat langdurige niet plats (zeker bij mogelijke nier- of blaasstenen) bel altijd en laat de dierenarts beoordelen hoe dringend het is.
Belangrijk: een kat die niet of nauwelijks plast, telkens naar de bak gaat zonder resultaat, pijn lijkt te hebben, hard miauwt of zich steeds likt aan de geslachtsdelen, is een spoedgeval. Een verstopping van de urinebuis moet worden uitgesloten. Een kat die meerdere dagen niet eet, moet ook snel gezien worden. Katten kunnen daardoor een ernstige leveraandoening krijgen.
De Mantelbaasje-strategie: verder kijken dan de symptomen
Om Minou te helpen, bekeken we het hele plaatje. We werkten op vijf vlakken.
1. Antibiotica, darmflora en stenen: wat weten we echt?
Er zijn aanwijzingen voor een verband tussen antibiotica, het darmmicrobioom en nierstenen. Dat komt vooral uit onderzoek bij mensen. Daar werd gevonden dat het gebruik van bepaalde antibiotica samenhangt met een hoger risico op nierstenen (Tasian et al., 2018). Een bacterie die een rol zou kunnen spelen is Oxalobacter formigenes, die oxalaat afbreekt in de darm. Bij mensen werd ze gelinkt aan een lager risico op calciumoxalaatstenen (Kaufman et al., 2008). Bij katten is ze aangetoond in de ontlasting van gezonde dieren. Er is weinig onderzoek bij katten en de resultaten zijn niet eenduidig.
Belangrijk is dat een groot deel van het oxalaat door het lichaam zelf wordt aangemaakt en niet uit het voedsel komt (Dijcker et al., 2011). Oxalaat wordt via de nieren uitgescheiden en kan in geconcentreerde urine samen met calcium kristallen en stenen vormen. Een gestoorde darmflora is dus hooguit één van de puzzelstukken.
Mijn advies om de darmflora te ondersteunen met een probioticum (met voldoende uren tussen de antibioticagift) was gericht op het herstel van de darmen tijdens de kuur, gezien Minou snel diarree ontwikkelde. Het is echter geen bewezen manier om stenen te voorkomen. Een probioticum uit de handel bevat bovendien meestal geen Oxalobacter. Geef het enkel in overleg met je dierenarts.
2. Voeding bij calciumoxalaat: vocht is de basis, calcium vraagt nuance
Vocht, vocht, vocht. Hoe meer verdunde urine, hoe minder kans dat kristallen groeien tot stenen. Droogvoer wordt in studies gelinkt aan een hoger risico op calciumoxalaatstenen (Lekcharoensuk et al., 2001). Katten zijn van nature matige drinkers. We zijn daarom afgestapt van droogvoer en schakelden over op kwalitatief natvoer, met extra water erdoor zodat er een "soepje" ontstond. Dit verhoogt de urineproductie en verdunt de urine (Lulich et al., 2016).
Calcium beperken is niet voor elke kat de oplossing. Vroeger was de reflex: bij calciumoxalaatstenen het calcium in de voeding beperken. Bij katten met een normaal bloedcalcium kan een sterke beperking het risico juist verhogen, omdat er dan meer oxalaat uit de darm wordt opgenomen (Dijcker et al., 2011; Lulich et al., 2016). Maar Minou heeft een verhoogd bloedcalcium, bevestigd met het geïoniseerde calcium. Dan ligt het anders. De dierenarts of voedingsspecialist maakt een plan op maat, ook over het calcium- en vitamine D-gehalte van het voer. Dit beslis je niet zelf en geef geen calcium- of vitamine D-supplementen op eigen initiatief.
Zuurtegraad (pH) van de urine. Een te zure urine verhoogt het risico op calciumoxalaatstenen. Richtlijnen noemen een streefwaarde van grofweg 6,5 tot 7,5, maar die varieert per bron (Lulich et al., 2016). Minou's pH van 5,5 in het labo lag daaronder. Eén meting zegt weinig, want de pH schommelt over de dag en met het eten en ze kan ook beïnvloed worden door de bewaring van het staal, bacteriën of medicatie. Thuis volgden we daarom de trend. De beslissingen over de waarden nam de dierenarts.
3. Medicatie en voeding tegelijk aanpassen
Tegen de misselijkheid kreeg Minou maropitant. Veerle merkte dat Minou er erg suf van werd en nog steeds weigerde te eten. Het braken was wel gestopt. Twee dingen zijn hier belangrijk:
Maropitant wordt bij katten trager uit het lichaam verwijderd dan bij honden (Hickman et al., 2008). Bij een oudere kat kan de gangbare dosis soms zwaar vallen. Of dat hier de oorzaak was, weten we niet, want sufheid kan ook door de ziekte zelf komen.
Ook een hoog calcium in het bloed kan misselijkheid, braken, slapte en verminderde eetlust veroorzaken. Een deel van Minou's klachten kan dus bij de hypercalcemie horen.
We grepen op twee fronten tegelijk in:
In overleg met de dierenarts werd de dosis maropitant aangepast.
Tegelijk kreeg Minou de keuze uit drie soorten natvoer: kalkoen, rund en een voer met verschillende soorten wild.
De redenering achter die keuze was vooral praktisch. Rund hadden we snel bij de hand en het is mager. Met drie opties had Veerle altijd iets in huis als Minou één smaak weigerde. Een plan B en een plan C is bij een kat die niet wil eten altijd verstandig, want elk dagdeel zonder eten telt.
Twee kanttekeningen:
Rund is bij katten een van de vaker gemelde voedselallergenen (Verlinden et al., 2006). Een nieuwe eiwitbron is dus geen garantie. Minou had eerder nog geen rund gegeten en had weinig andere opties, daarom wouden we het toch achterhouden als back-up. Een echt eliminatiedieet moet enkele weken strikt worden gevolgd om er iets uit te kunnen afleiden en dat doe je pas als de kat stabiel is.
Lees altijd het etiket. Minou is intolerant voor kip en die kan onder andere namen in voer zitten (kippenvet, bouillon, aroma's).
Omdat we beide aanpassingen tegelijk deden om Minou snel te helpen, weten we niet zeker welke de doorslag gaf. Het belangrijkste: Minou knapte op.
4. Samenwerking met de specialist, met zo weinig mogelijk stress
De hypercalcemie bleef onverklaard. De echo gaf geen antwoord en het parathormoon was niet duidelijk afwijkend, dus de dierenarts stelde een internist voor.
Voor een zieke, stressgevoelige kat is een lange autorit zwaar. Ik raadde Veerle aan om bij haar dierenarts te vragen of de internist eerst op afstand kan meekijken: de eigen dierenarts deelt het dossier en de bloedwaarden, en de specialist adviseert over de volgende stappen. Niet elke casus leent zich hiervoor. De dierenarts beslist of een fysiek bezoek nodig blijft.
5. Begeleiding tijdens het "we weten het nog niet"
Dit is het deel dat je op geen enkele labouitslag ziet. De oorzaak van het hoge calcium is nog niet gevonden. Dan ontstaat een lange, slopende periode van wachten, testen en opnieuw wachten. Ik begeleidde Veerle door die periode. Mijn rol daarbij was:
Minou ondersteunen met voeding, vocht en thuiszorg, zodat haar conditie zo goed mogelijk bleef en ze niet verder achteruitging terwijl het onderzoek liep, altijd in overleg met de dierenarts
helpen opvolgen wat Veerle thuis kon observeren (eten, drinken, plassen, gedrag, energie), zodat ze de dierenarts concrete informatie kon geven
de situatie voor Veerle leefbaar houden, met een plan, met duidelijke afspraken over wanneer ze moest bellen en met een luisterend oor.
Een dierenarts stelt de diagnose en behandelt. Ik vul aan met wat thuis gebeurt, en met de ondersteuning van het baasje. Dat laatste wordt vaak onderschat, want een zieke kat betekent ook een uitgeputte eigenaar.
Het resultaat: een kat die weer eet, plast en spint
Van zodra het nieuwe voer werd gegeven zagen we een duidelijk verschil. Minou at met smaak. Door het vocht in de voeding liep ze opnieuw naar de kattenbak voor een goede plas. Veerle stuurde me een foto van een spinnende Minou op haar schoot.
Ik wil hier eerlijk zijn: de oorzaak van het hoge calcium is nog niet gevonden.
De verbetering betekent dat de tijdelijke crisis voorbij was, niet dat het probleem is opgelost. De stenen kunnen terugkomen. Daarom blijft opvolging nodig:
controle van het geïoniseerde calcium en de nierwaarden
controle van de urine (concentratie, pH, kristallen en eventueel een nieuwe kweek na de kuur als de dierenarts dat vraagt)
blijven aandacht geven aan vochtinname
medicatie zonder stress toedienen: verstop een pil liefst in een klein beetje van het natvoer
Herken jij dit bij jouw dier?
Zie jij door de bomen het bos niet meer na een complexe diagnose? Worstel je met bijwerkingen van medicatie, mogelijke voedingsintoleranties, of weet je niet hoe je de uitleg van de dierenarts thuis in de praktijk brengt? Of zit je midden in een periode van "we weten het nog niet"? Je hoeft dat niet alleen te doen.
Ik help je met het uitzoekwerk. Met onderbouwd advies rond voeding, gedrag en thuiszorg, altijd aanvullend op en in overleg met je dierenarts, kan jij je weer richten op quality time met je huisdier.
Disclaimer: de verstrekte informatie dient ter educatie en vervangt geen diagnose of behandeling door een dierenarts. Verander nooit de medicatie of het dieet van een zieke kat zonder overleg met de behandelend dierenarts. Een kat die niet kan plassen is een spoedgeval.
Bronnen
Dijcker, J. C., Plantinga, E. A., van Baal, J., & Hendriks, W. H. (2011). Influence of nutrition on feline calcium oxalate urolithiasis with emphasis on endogenous oxalate synthesis. Nutrition Research Reviews, 24(1), 96–110. https://doi.org/10.1017/S0954422410000351
Hickman, M. A., Cox, S. R., Mahabir, S., Miskell, C., Lin, J., Bunger, A., & McCall, R. B. (2008). Safety, pharmacokinetics and use of the novel NK-1 receptor antagonist maropitant (Cerenia) for the prevention of emesis and motion sickness in cats. Journal of Veterinary Pharmacology and Therapeutics, 31(3), 220–229. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/18471143/
Kaufman, D. W., Kelly, J. P., Curhan, G. C., Anderson, T. E., Dretler, S. P., Preminger, G. M., & Cave, D. R. (2008). Oxalobacter formigenes may reduce the risk of calcium oxalate kidney stones. Journal of the American Society of Nephrology, 19(6), 1197–1203. https://doi.org/10.1681/ASN.2007101058
Lekcharoensuk, C., Osborne, C. A., Lulich, J. P., Pusoonthornthum, R., Kirk, C. A., Ulrich, L. K., Koehler, L. A., Carpenter, K. A., & Swanson, L. L. (2001). Association between dietary factors and calcium oxalate and magnesium ammonium phosphate urolithiasis in cats. Journal of the American Veterinary Medical Association, 219(9), 1228–1237. https://doi.org/10.2460/javma.2001.219.1228
Lulich, J. P., Berent, A. C., Adams, L. G., Westropp, J. L., Bartges, J. W., & Osborne, C. A. (2016). ACVIM small animal consensus recommendations on the treatment and prevention of uroliths in dogs and cats. Journal of Veterinary Internal Medicine, 30(5), 1564–1574. https://doi.org/10.1111/jvim.14559
Midkiff, A. M., Chew, D. J., Randolph, J. F., Center, S. A., & DiBartola, S. P. (2000). Idiopathic hypercalcemia in cats. Journal of Veterinary Internal Medicine, 14(6), 619–626. https://doi.org/10.1111/j.1939-1676.2000.tb02286.x
Weese, J. S., Weese, H. E., & Rousseau, J. (2009). Identification of Oxalobacter formigenes in the faeces of healthy cats. Letters in Applied Microbiology, 49(6), 800–802. https://doi.org/10.1111/j.1472-765X.2009.02722.x
Savary, K. C. M., Price, G. S., & Vaden, S. L. (2000). Hypercalcemia in cats: A retrospective study of 71 cases (1991–1997). Journal of Veterinary Internal Medicine, 14(2), 184–189. https://doi.org/10.1111/j.1939-1676.2000.tb02234.x
Tasian, G. E., Jemielita, T., Goldfarb, D. S., Copelovitch, L., Gerber, J. S., Wu, Q., & Denburg, M. R. (2018). Oral antibiotic exposure and kidney stone disease. Journal of the American Society of Nephrology, 29(6), 1731–1740. https://doi.org/10.1681/ASN.2017111213
Verlinden, A., Hesta, M., Millet, S., & Janssens, G. P. J. (2006). Food allergy in dogs and cats: A review. Critical Reviews in Food Science and Nutrition, 46(3), 259–273. https://doi.org/10.1080/10408390591001117
Weese, J. S., Blondeau, J., Boothe, D., Guardabassi, L. G., Gumley, N., Papich, M., Jessen, L. R., Lappin, M., Rankin, S., Westropp, J. L., & Sykes, J. (2019). International Society for Companion Animal Infectious Diseases (ISCAID) guidelines for the diagnosis and management of bacterial urinary tract infections in dogs and cats. The Veterinary Journal, 247, 8–25. https://doi.org/10.1016/j.tvjl.2019.02.008
Over de auteur

Geschreven door Hanne Callewaert, klinisch dierengedragstherapeut, universitair gecertificeerd in Canine and Feline Nutrition en bestuurslid van de beroepsvereniging voor diergedragsprofessionals (VDG). Hanne begeleidt eigenaren van chronisch zieke en ouder wordende honden bij voeding, gedrag en thuiszorg, in overleg met de behandelend dierenarts.
.png)




Opmerkingen